Archeologie

De graafmachine heeft een sleuf uitgegraven voor archeologisch onderzoek

Archeologie gaat over alles wat we kunnen leren over het verleden uit de resten van dingen die mensen vroeger maakten en deden. Resten die in de grond zitten.

Het kunnen allerlei producten zijn die de mensen gebruikten, zoals potscherven, munten en botten. In een opgraving maken archeologen vlakken in de grond. Hierin zien zij sporen zoals donkere vlekken en lijnen. Die sporen geven bijvoorbeeld aan waar vroeger sloten lagen of waar houten wanden stonden. Archeologie geeft ons via een opgraving informatie over perioden uit ons verleden waarin de mensen nog niet schreven.

En ze konden al helemaal geen foto’s of films maken. Archeologen van nu vertellen het verhaal van mensen van vroeger. Een archeoloog heeft een wetenschappelijke studie gedaan waarin je niet alleen leert opgraven maar ook leert hoe je vondsten moet registreren, bewaren en interpreteren.

Voorzichtig verder graven aan een gevonden visfuik met een troffel

Opgraven of laten zitten?

Archeologen leggen oude sporen in de grond bloot, meten deze precies op en tekenen ze op schaal in. Daarna verzamelen ze alle spullen die in de bodem zitten netjes en worden ze genummerd. Om sporen in oude bodemlagen te vinden moeten ze eerst de nieuwe grond weghalen die er bovenop is komen te liggen. Dat kan landbouwgrond zijn, tegels, puin of bouwzand. Dat blootleggen doen ze meestal eerst met een graafmachine en later, als de echte oude grondlagen in zicht komen, met een schep. Weer later moet dat heel voorzichtig met een troffel of kwastjes.

Archeologen bestuderen voordat ze gaan graven eerst oude vondsten uit de omgeving, die eerder in de grond gevonden zijn. Zo weten ze een beetje wat ze kunnen verwachten en hoe diep alle sporen zitten. Archeologen weten vandaag de dag veel meer dan hun collega’s tien, twintig of vijftig jaar geleden en kunnen dus veel beter opgraven dan vroeger. Met andere woorden: hoe langer je wacht met opgraven hoe beter het is, want je kunt veel beter onderzoek doen en het levert meer informatie op.

Door een archeologische vindplaats te onderzoeken met een kraan en een schep maak je die ook meteen kapot. Je kan een vindplaats dus ook maar één keer onderzoeken. Reden te meer om niet te snel te gaan graven. Zo lang mogelijk wachten is het beste. Maar als ergens een tunnel, een zwembad of een parkeergarage komt zit er niets anders op. Als je toch opgraaft moet je zorgen dat je álle informatie goed verzamelt, want je krijgt als archeoloog geen tweede kans. Tegenwoordig probeert de overheid zo goed mogelijk vooraf te bepalen waar men nieuwe huizen, kelders en wegen moet bouwen om geen archeologische vindplaatsen te verstoren. Behoud in situ heet dat: het bewaren van de sporen daar waar die nu al liggen. Dat is dus zonder de scherven, munten en botten er uit te graven. Als er toch gebouwd wordt dan wordt de grond goed onderzocht en worden ervaren archeologen ingehuurd.

Vondsten worden nauwkeurig ingetekend

Na de opgraving

Na de opgraving maken de archeologen alle vondsten schoon en maken ze een verslag van het onderzoek met veel foto’s. Ze tekenen kaarten waarop te zien is waar welke sporen en vondsten gevonden zijn en bijvoorbeeld hoe een nederzetting er volgens hen heeft uitgezien. Ook analyseren ze de vondsten en vertellen wat het is. Bijvoorbeeld of een vondst compleet is en of er al vaker zulke potten, sieraden, pijlpunten of dierbotten zijn gevonden uit die periode.

Ook kijken ze naar grondmonsters, om te zien wat voor landschap er vroeger was. Was het bos, was het grasland, waren er veel akkers? Want archeologen verzamelen niet alleen oude voorwerpen, maar ook stukken aarde, akkergrond en moeras die in de bodem gevonden worden. Daaruit halen ze dan bijvoorbeeld zaden en resten van planten om te zien of mensen veel graan aten, of dat ze leefden te midden van weilanden waar alleen koeien en schapen graasden.

Het verschil in bodemlagen is hier goed te zien aan de kleur van de grond

Datering

Het is heel belangrijk dat archeologen weten hoe oud een voorwerp is. Dat kunnen ze op verschillende manieren te weten komen. Door te kijken in welke bodemlaag iets gevonden is kunnen ze zien of een vondst ouder of juist jonger is dan andere vondsten. Hoe dieper een voorwerp gevonden is, hoe ouder. Ook kunnen ze voorwerpen vergelijken met vondsten die eerder zijn gedaan op andere plekken en waarvan precies bekend is hoe oud die zijn. Tenslotte kunnen archeologen in het laboratorium laten onderzoeken hoe oud iets is door met bepaalde machines het materiaal te onderzoeken.

Skeletonderzoek

In de archeologie bestaat veel aandacht voor gevonden skeletten van mensen. Wat dachten, deden en voelden deze mensen vroeger? De resten van een menselijk lichaam kunnen ons veel vertellen. Aan botten en tanden kunnen we bijvoorbeeld aflezen hoe lang en sterk mensen waren, hoe oud ze waren en waar ze geboren zijn. Er zijn ook steeds meer technieken om dat soort dingen te achterhalen door de scheikundige samenstelling te bepalen. Eén van die methoden is DNA-onderzoek: het analyseren van het genetisch materiaal van een skelet. Als de schedel van een mens intact is kan ook het gezicht gereconstrueerd worden. Op een kopie van de schedel worden dan met klei of was laagjes vlees en huid nagemaakt. Daarna wordt ook het haar en de ogen nagemaakt. Op die manier is dan weer redelijk goed te zien hoe deze mens er uitzag toen zij of hij nog leefde.

Zo werd het skelet van ‘Cees’ aangetroffen

De reconstructie van het jongetje ‘Aak’

Geofysisch onderzoek

Soms kunnen archeologen een beetje in de bodem kijken zonder te graven. Dat heet geofysisch onderzoek. Dat is een verzamelnaam voor technieken waarbij met apparaten een soort ‘echo’s' uit de grond worden opgevangen. Deze echo’s geven een beeld van dingen die in de grond zitten. Het is vooral geschikt om stenen muren en grachten die in de grond zitten waar te nemen, dus om kastelen op te sporen is het een mooie, snelle methode.

Metaaldetectie

Een methode om oude voorwerpen te vinden die heel bekend is, is het zoeken naar metalen voorwerpen met een metaaldetector. Met dit apparaat, dat eigenlijk een soort gevoelige schijf aan een lang handvat is, kun je ook een beetje in de grond kijken. Het is met name geschikt om munten op te sporen die ooit op of in de grond terecht zijn gekomen. Omdat munten een heel specifieke vorm hebben en vaak een afbeelding of tekst dragen, zijn ze vaak makkelijk herkenbaar en dateerbaar.

Het terrein van voormalig kasteel Nieuwburg bij Alkmaar wordt onderzocht

Met een metaaldetector worden de bodemlagen afgezocht

In het depot

Vaak weten archeologen na een opgraving goed wat ze precies gevonden hebben en kunnen ze dat uitleggen en in een archeologisch rapport opschrijven. Maar soms blijven er nog veel vragen over. Het is dan bijvoorbeeld niet goed bekend wat voor vondst het is, hoe oud het is of waarvoor het werd gebruikt. Dit soort vragen kunnen archeologen soms pas veel later beantwoorden als ze de vondsten opnieuw bekijken of onderzoeken met nieuwe onderzoeksmethoden. Daarvoor is her-bestudering van vondsten en informatie nodig.

Metaaldetectie

Het materiaal uit een opgraving moet dan wel heel ordelijk en zorgvuldig zijn opgeslagen. Dat gebeurt in een archeologisch depot. Alle provincies en ook de meeste grote gemeenten hebben zo’n depot. In het depot wordt gezorgd dat bijvoorbeeld houten, metalen en leren voorwerpen goed blijven en niet roesten, verdrogen of uit elkaar vallen. De provincie Noord-Holland heeft een archeologisch depot in Castricum. Hier is 6 kilometer plankruimte beschikbaar voor archeologische vondsten.

Aardewerk in het archeologisch depot

Meer weten?

De hele collectie van het archeologisch depot kun je online bekijken. In hetzelfde gebouw als het depot is ook Archeologiemuseum Huis van Hilde gevestigd. Ieder jaar verschijnt een archeologische kroniek waarin opgravingen en vondsten van het afgelopen jaar worden beschreven. Op verhalenplatform Oneindig Noord-Holland lees je de verhalen achter de archeologische vondsten.

Perioden in de archeologie/geschiedenis

De Canon van de Noord-Hollandse archeologie neemt je meer terug in de tijd naar het ontstaan van Noord-Holland. Van oud naar jong lopen we door de meeste perioden heen die archeologen onderscheiden, van de Nieuwe Steentijd, 5300 voor Chr. tot de jongste periode in de Nieuwe tijd. Je leest over het landschap en de bewoners van Noord-Holland, belangrijke archeologische vondsten en de mensfiguren die je uit deze perioden bij Huis van Hilde kunt zien.